Categorieën
Contracten

De juridische waarde van de elektronische handtekening

Vorige week heb ik een blog geschreven over efficiënter werken met DocuSign. Daarin heb ik aangekondigd verder in te gaan op de juridische waarde van de elektronische handtekening. In deze blogpost behandel ik specifiek dit onderwerp in relatie tot het auteursrecht. De Auteurswet schrijft namelijk voor om een akte te gebruiken voor overdracht en verlening van een exclusieve licentie op auteursrecht:

De levering vereist voor gehele of gedeeltelijke overdracht, alsmede de verlening van een exclusieve licentie, geschiedt bij een daartoe bestemde akte.

Artikel 2 lid 3 Aw

In het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat omschreven wat een akte is:

Akten zijn ondertekende geschriften, bestemd om tot bewijs te dienen.

Art. 156 lid 1 Rv

Kortom: voor de overdracht en verlening van een exclusieve licentie op het auteursrecht is een ondertekend geschrift nodig. Maar hoe zit het met een digitale DocuSign-handtekening in een pdf? Is dat ook een ondertekend geschrift?

Toegankelijkheid van regelgeving

Een probleem is dat regelgeving over elektronische handtekeningen niet heel toegankelijk is. Zo klagen Spoor, Verkade & Visser in hun handboek Auteursrecht over ‘onduidelijkheid’ anno 2018 in ‘eenentwintigsteeeuwse, op EU-richtlijnen gebaseerde wetgeving’. Overigens is dat standpunt ook wat achterhaald, want deze ‘op EU-richtlijnen gebaseerde wetgeving’ is in 2017 vervangen. De Europese regelgeving omtrent digitaal ondertekenen is inmiddels vastgelegd in de eIDAS-verordening.

De meest veilige koers

Verder valt op dat Spoor, Verkade & Visser in hun Auteursrecht-handboek nog altijd een ‘schriftelijk document op papier met daarop een natte handtekening’ als ‘meest veilige koers’ aanraden. Dat klinkt alsof het nieuwerwetse door de auteurs wordt vermeden. Met deze algemene aanbeveling ben ik het dan ook niet geheel eens.

Ten eerste is bij het werken binnen een organisatie ‘de meest veilige koers’ niet altijd de beste keuze. ‘De meest veilige koers’ is namelijk een authentieke akte die is gewaarmerkt door de notaris. Dat schiet zijn doel natuurlijk in veel gevallen volledig voorbij. Ook aan het gebruik van een ‘schriftelijk document op papier met daarop een natte handtekening’ zijn bewijsrechtelijke risico’s verbonden, zoals ik hierna laat zien. Een elektronische handtekening hoeft niet risicovoller te zijn en is zeker niet per definitie ongeldig. Als (bedrijfs)jurst is het ook niet nodig om altijd ‘de meest veilige koers’ te kiezen. Zoals Toon Huydecoper prachtig zegt: een bedrijfsjurist krijgt de hele dag vragen waarvan – als je heel voorzichtig zou zijn – denkt: dit is er tegen, en dit is er tegen. Als hij niet kiest, wordt hij na een halfjaar gemeden. Dan denkt men: ‘Die man zoekt alleen maar problemen en je hebt er niks aan – hij vertelt alleen wat er allemaal mis kan gaan.’

Ondertekend

Terug naar het ondertekend geschrift en de elektronische handtekening. Zoals in de inleiding uiteengezet, is voor de overdracht en verlening van een exclusieve licentie op auteursrecht een ondertekend geschrift nodig. Dat betekent (1) dat er een geschrift moet zijn, en (2) dat dit geschrift ondertekend moet zijn. Ik begin met het tweede punt. Over de relatie tussen de handgeschreven ondertekening en de elektronische handtekening bepaalt de eIDAS-verordening:

Het rechtsgevolg van een elektronische handtekening en de toelaatbaarheid ervan als bewijsmiddel in gerechtelijke procedures mogen niet worden ontkend louter op grond van het feit dat de handtekening elektronisch is of niet aan de eisen voor gekwalificeerde elektronische handtekeningen voldoet.

Art. 25 eIDAS-verordening

Kortom, een rechter mag een elektronische handtekening niet halsstarrig weigeren. Maar hij mag wel voorwaarden stellen aan de kwaliteit van de handtekening:

In deze verordening moet als beginsel worden gesteld dat het rechtsgevolg van een elektronische handtekening niet moet worden ontkend […]. Het nationaal recht moet echter bepalen welk rechtsgevolg elektronische handtekeningen hebben.

Overweging 49 eIDAS-verordening

En dat heeft de Nederlandse wetgever keurig gedaan:

De geavanceerde elektronische handtekening […], en een andere elektronische handtekening [hebben] dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening, indien voor deze beide elektronische handtekeningen de methode voor ondertekening die gebruikt is voldoende betrouwbaar is, gelet op het doel waarvoor de elektronische handtekening is gebruikt en [gelet] op alle overige omstandigheden van het geval.

Art. 3:315 BW

De rechter maakt een afweging

Er kan dus niet in zijn algemeenheid worden gesteld of een reguliere elektronische handtekening voldoende betrouwbaar is en gelijk kan worden gesteld aan de handgeschreven handtekening. Dat klinkt eng. Daarmee wijkt de elektronische handtekening bovendien af van de handgeschreven handtekening. De handgeschreven ondertekening kent geen duidelijke voorwaarden. De literatuur beschrijft het als ‘een geheel van lettertekens in het handschrift van de ondertekenaar’ – maar er bestaat geen verplichting dat een handtekening bijvoorbeeld gelijk moet zijn aan de handtekening in een paspoort.

Bij een elektronische handtekening ligt dat dus genuanceerder. Een rechter zal voor de geldigheid van een elektronische handtekening (bij betwisting van de geldigheid) een afweging moeten maken tussen de betrouwbaarheid van bijvoorbeeld DocuSign als platform enerzijds en het doel waarvoor de elektronische handtekening wordt gebruikt anderzijds. De wetgever maakt daarbij als kanttekening dat in ‘algemene zin’ geldt dat ‘uiteraard verwacht mag worden dat partijen voor eenvoudige transacties aan het gebruik van de meest eenvoudige – en dus goedkoopste – elektronische handtekening (de ‘gewone’ elektronische handtekening) de voorkeur zullen geven’.

Smaakjes

De eIDAS-verordening kent verschillende soorten handtekeningen, met verschillende bewijskracht. De meest sterke handtekening is de gekwalificeerde handtekening. Een reguliere DocuSign-handtekening is geen gekwalificeerde handtekening – al wordt deze optie door DocuSign wel tegen meerprijs aangeboden. De rechter hoeft op grond van de eIDAS-verordening bij een gekwalificeerde handtekening ook niet meer af te wegen of de dienst voldoende betrouwbaar is. Met de gekwalificeerde handtekening staat de identiteit van de ondertekenaar bovendien vast. Zo’n gecertificeerde handtekening is dus ijzersterk bewijs wanneer een ondertekenaar betwist te hebben getekend. Maar het is een zwaar middel, en voor een gebruiker tamelijk onpraktisch.

Zelf zegt DocuSign in zijn validity guide dat zo’n gekwalificeerde handtekening ‘may be required’ voor overdracht van auteursrecht. Een gekwalificeerde handtekening is echter, zoals hierboven uitgelegd, geen absoluut vereiste. Het lijkt mij zelfs wat overdreven – omdat een reguliere DocuSign-handtekening ook al behoorlijk betrouwbaar bewijs oplevert over de identiteit van de ondertekenaar. Het lijkt mij niet voor de hand liggen dat een rechter snel komt tot een oordeel dat geen sprake is van een handtekening omdat de betrouwbaarheid van DocuSign onvoldoende zou zijn.

Daarvan is overigens wel in de rechtspraak een enkel voorbeeld te vinden. Zo stuitte ik op een vrij recente uitspraak, waarin de kantonrechter in Den Haag de verschillen vaststelde tussen een DocuSign-handtekening en de ‘handtekening op het in kleurenkopie overgelegde identiteitsbewijs’. Maar goed – in deze zaak speelde meer, zoals gerommel met de schrijfwijze van namen. Partijen (waaronder een incassobureau) werden ook niet bijgestaan door een advocaat, en ik ben bang dat niet de relevante juridische argumenten zijn bepleit.

De natte waterdichte handtekening?

Zoals ik hierboven al schreef, is een handgeschreven handtekening op papier is ook niet waterdicht. Het kan verkeerd lopen wanneer een wederpartij ontkent dat hij zijn handgeschreven handtekening heeft gezet. Zolang een ondertekenaar stellig ontkent dat een handtekening onder een papieren contract van hem afkomstig is, komt aan het stuk namelijk geen enkele bewijskracht toe (voor de juristen onder ons: NJ 2019/174). Voor zo’n stellige ontkenning is geen onderbouwing nodig door de ondertekenaar. Het is dan dus aan de eisende partij om te bewijzen dat de ondertekenaar toch echt heeft getekend. Een natte handtekening is dus theoretisch bezien ook niet een ‘veilige koers’.

DocuSign biedt in de praktijk de optie ‘Add access authentication’. Daarmee wordt het mogelijk om te bewijzen dat de identiteit is geverifieerd per sms. Het wordt daarmee eenvoudiger om aan te tonen dat – bij betwisting door de ondertekenaar – de ondertekenaar toch echt zelf heeft getekend. Daarmee is een digitale DocuSign-handtekening met sms misschien zelfs sterker dan een fysieke handtekening die per post is ontvangen. Immers, er zijn dan in ieder geval bewijsmiddelen voorhanden dat de ondertekenaar zelf heeft getekend.

Geschrift

De tweede voorwaarde is dat er sprake moet zijn van een ‘geschrift’. Artikel 156a Rv bepaalt echter dat akten ‘op een andere wijze dan bij geschrift’ kunnen worden opgemaakt, zolang een ongewijzigde reproductie van de inhoud van de akte mogelijk is.

DocuSign voldoet aan deze eis, gezien het certificaat dat standaard bij voltooiing van een DocuSign-handtekening wordt aangeboden. Van een geschrift is dus ook bij DocuSign sprake.

Kortom:

Voor de overdracht en verlening van een exclusieve licentie op het auteursrecht is een ondertekend geschrift nodig. Met het geschrift zit het wel goed. Voor de vraag of er getekend is, zal een rechter bij betwisting onderzoeken of de DocuSign-handtekening voldoende betrouwbaar is voor overdracht of verlening van een exclusieve licentie van auteursrecht. Het kan verkeerd aflopen wanneer een wederpartij ontkent dat hij zijn elektronische handtekening heeft gezet. Dat kan echter bij de natte handtekening op papier ook gebeuren. DocuSign biedt aanvullende oplossingen om betrouwbaarheid te vergroten en beter te kunnen aantonen dat de ondertekenaar daadwerkelijk zijn handtekening heeft gezet.

Gelukkig is het betwisten van de geldigheid van een handtekening een zeldzaamheid waar ik in de praktijk nog nooit mee van doen heb gehad. En wanneer het toch gebeurt, ben ik ervan overtuigd dat een rechter te overtuigen valt van de geldigheid van zowel de papieren als de digitale krabbel.